Verwacht: Spoortentoonstelling in Openluchtmuseum Het Hoogeland

In Openluchtmuseum Het Hoogeland te Warffum opent op donderdag 20 september 2018 de tentoonstelling ‘Sporen door het Hogeland’. Deze expositie is gebaseerd op het succesvolle boek met diezelfde naam en is ook in samenwerking met de schrijvers en makers van Sporen door het Hogeland bedacht en gemaakt. Uitgangspunt van de tentoonstelling zijn diverse verhalen en thema’s uit het boek – van passagiers tot goederenvervoer – die met behulp van voorwerpen, foto’s, tekeningen en teksten tot leven worden gebracht.

Daarnaast zal de documentaire ‘Een spoor vol verhalen’ worden vertoond die gemaakt werd door Samen in Beeld-TV en die een reis in de tijd over het Hogelandspoor laat zien: op elk station van de Hogelandlijn komt een verhalenvertellende ooggetuige aan het woord – van Sauwerd tot de Eemshaven.

Dagblad van het Noorden: Hogelandlijn bestaat 125 jaar

Dit is het volledige artikel dat in het Dagblad van het Noorden van 15 augustus 2018 stond:

Op woensdag 16 augustus 1893 reed de eerste stoomlocomotief door Noord-Groningen. Via Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden kwam de SS-500/504 in anderhalf uur in Roodeschool aan. Een woensdag was het en het weer was een beetje betrokken volgens het Nieuwsblad van het Noorden van die dag. ‘Alle inwoners van Roodeschool environs, tot zelfs van de kust, oud en jong, rijk en arm, hadden hun beste pak aangetrokken en hadden zich opgemaakt, om aanwezig te zijn bij de aankomst van de trein,’ schreef de Ommelander Courant een paar dagen later.

Groot feest was het, in de wierdedorpen langs de Hogelandlijn: eindelijk was men aangesloten op de snelle spoorwereld. In minder dan negen uur kon je nu vanaf Noord-Groningen in het Westen komen. Stapte je op de eerste trein dan was je al rond drieën in Amsterdam!

 

De Hogelandspoorlijn was het paradepaardje van Hermannus Ellens Oving jr. (1852-1934) – een Rotterdamse ondernemer met Groningse wortels, commercieel vernuft en veel daadkracht. Toen Oving via een Gronings familielid getipt werd over een concessie waarmee je de meest noordelijke spoorlijn mocht aanleggen, hapte hij meteen toe. Al wist hij dat het moeilijk zou worden: vier eerdere plannen waren afgekeurd door het ministerie van Waterstaat.

Ook Ovings eerste plan – een stoomtramlijn van Bedum via Onderdendam, Middelstum en Kantens naar Usquert – sneuvelde in 1885, omdat de tram te gevaarlijk zou zijn voor het wegverkeer. Maar zijn volgende idee was een zelfstandige lokaalspoorlijn op enkelspoor die handig gebruik kon maken van het eerste deel van de lijn Groningen-Delfzijl (1884). De lijn zou in Sauwerd beginnen en via de wierdedorpen naar Roodeschool lopen, 26,9 kilometer lang. En dit plan werd in juni 1886 goedgekeurd door de minister van Waterstaat.

In allerijl verzamelde Oving geldschieters, zorgde voor subsidies bij gemeentes, provincie en rijk, en na twee jaar kreeg hij het felbegeerde stempeltje van Zijne Majesteit Koning Willem III:e lokaalspoorlijn Sauwerd-Roodeschool mocht worden aangelegd door de Groninger Lokaal Spoorwegmaatschappij (GLS).

 

De aanleg van het Hogelandspoor was geen sinecure. Eerst moest de grond onteigend worden waarover de lijn zou lopen. 428 stukken land werden aangekocht en juridisch overgedragen, zo becijferde ingenieur Harmen Wind uit Onderdendam, die door Oving als eerste directeur van de GLS was aangesteld. In de spoorarchieven in Utrecht liggen nog ruim dertig procesverslagen van eigenaren die het niet eens waren met de onteigening, de hoogte van het bedrag of de bijzondere voorwaarden. Schrijnend is bijvoorbeeld het verhaal dat dominee Spandaw uit Baflo naar de rechtbank stuurde, over zijn buurman, de landbouwer Borgman, die vanwege de nieuwe spoorlijn van zijn land werd afgesneden. ‘Groot onrecht,’ noemde Spandaw de overeenkomst. ‘Borgman wordt grootelijks benadeeld.’

 

Vier aannemers werden aangesteld voor de klus, onder anderen A. Pastoor uit Stedum, die de opdracht krijgt om de ‘gebouwen en inrichtingen’ te bouwen. In totaal zou de spoorlijn ƒ 859.000 kosten. Na lange, zorgvuldige voorbereidingen begon de bouw in juni 1891. ‘Door den aannemer is een begin gemaakt met de uitvoering der haltegebouwen te Baflo, Warffum, Usquert & Uithuizermeeden’, is te lezen in het maandrapport van de GLS van die maand.

Uit dat rapport is ook op te maken dat er in twee verschillende richtingen werd gewerkt. De stationsgebouwen werden vanaf het eindpunt naar voren gebouwd: Roodeschool was het eerst klaar, Winsum het laatst. Het spoorbed met daarop de dwarsliggers en spoorstaven werd vanaf de andere kant aangelegd: van Sauwerd naar Roodeschool.

Dat spoorbed – een verhoging van aarde – werd gemaakt van klei en de modder uit omliggende sloten die werden uitgegraven, aangevuld met zand, aarde en stenen van elders. Een stoomtreintje zorgde voor het vervoer op het traject, voor zover het spoorbed dat toeliet. De rest werd aangevoerd door paard en wagen. In Winsum waren in de winter van 1892 zo’n zestig spoorarbeiders aan het werk, een aantal dat in het voorjaar werd verdubbeld.

Naast de bermsloten werden er ook op bepaalde punten grotere gaten gegraven, de spoordoks, zoals bij station Baflo (de vroegere ijsbaan). Ook in Warffum, vlak bij de brug over het Warffumermaar, werd een spoordok gegraven dat in de jaren dertig dienst deed als plaatselijk zwembad.

Het werk vorderde razendsnel, zeker als je er met de blik van tegenwoordig naar kijkt: in anderhalf jaar tijd bouwden ze bijna zeventwintig kilometer spoor, zeven stationsgebouwen, vijf bruggen, groeven zeker twintig kilometer sloot, legden toegangswegen en hekken aan. Zonder kranen, zonder bulldozers, zonder vrachtwagens, enkel met man en paard en een stoomlocje. Ter vergelijking: over de Noord-Zuidlijn in Amsterdam, iets minder dan tien kilometer lang, deed men meer dan vijftien jaar. Zelfs de aanleg van de Eemshavenlijn – de laatste uitbreiding van de Hogelandlijn – met zijn 3 kilometer nieuw spoor kostte toch nog altijd ruim twee jaar werk.

 

En het zat Oving en zijn ploeg lang niet altijd mee, zo lezen we in de maandverslagen. Soms lag het werk maanden stil. ‘Jan. 1893. Vorst.’ ‘Feb. 1893. Veel regen.’ Toen de spoorlijn nagenoeg gereed was – in de zomer van 1893 – kon er geen grind meer worden aangevoerd omdat de grote rivieren nagenoeg droog stonden en niet meer bevaarbaar waren.

In april 1893 kon men het spoor voor de eerste keer in zijn geheel uittesten. ‘Den 29 dezer had de beproeving der bruggen met een gewone locomotief der SS plaats, waarbij bleek dat alle continutiën voldeden aan de bepalingen van het bestek,’ schreef de spoorweginspectie. Het sein ging op groen!

De hekken waren geverfd, de telegraafleiding langs het spoor aangelegd en overal – behalve in Warffum – waren de toegangswegen gereed. Donderdag 16 augustus zou de eerste trein rijden – zonder officiële plichtplegingen. Maar in en om de dorpen werd feest gevierd. Fanfares stonden op de versierde stations, bewoners stonden langs de toegangswegen, zwaaiend met hun zakdoeken.

 

Vanuit Roodeschool deed een inwoner verslag in de plaatselijke krant, over die eerste keer dat de trein om 2 uur 49 in de middag aankwam in Noord-Groningen. ‘Een massa, een trein vol menschen van Groningen, Winsum, Baflo, Warffum, Usquert en Uithuizen kwamen aan om het vroeger zo geïsoleerde Roodeschool te bezoeken. In een oogwenk was het van ouds bekende logement “De berg Calvaria” gevuld met bezoekers, die spoedig enige ververschingen gebruikten, om eenigen tijd later te retourneren. (…) En, Meneer de redacteur, wij hebben feest gevierd. Geen feest waar de rijken zich van de armen scheidden, neen, alles zat door elkaar, in de grootsten eendracht en met het meeste genot.’

 

Over de noordelijkste spoorlijn van Nederland is onlangs een boek verschenen: Sporen door het Hogeland (zie sporendoorhethogeland.nl)

De eerste vergadering: 20 juni 1884

Komende donderdag, 16 augustus 2018, bestaat de Hogelandspoorlijn naar Roodeschool 125 jaar. Hier het moment waarop het allemaal begon: 20 juni 1884. De eerste verkennende vergadering van initiatiefnemer H.E. Oving met burgemeesters van Hogelandgemeentes en leden van Provinciale Staten. Vergaderplaats: Onderdendam, woonplaats van Ir. Harmen Wind, die de bouw van de 26,9 km lange spoorlijn zou organiseren.